Vertellen ten behoeve van taal- en woordenschatontwikkeling

Uit Stichting Vertellen MediaWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

een workshop door Mieke Aalderink

Introductie en werkwijze[bewerken]

Mieke Aalderink is werkzaam in het bibliotheekwerk, daarnaast is zij verhalenvertelster.

Woordenschatontwikkeling is een typisch item in het aanbod van het basisonderwijs waar je je als verhalenverteller niet zo snel het hoofd over breekt; het pakkie-an van de leerkracht. Verhalen vertellen is een activiteit die je als leerkracht misschien meer in de lijn ziet van een aanvullende, feestelijke activiteit. Met beide is niks mis. Echter, samenvallend, kan het ook een mooie werkvorm zijn, die het taalonderwijs ondersteunt.

Een verhalenverteller is niet geschoold als methodisch woordenschatonderwijzer, maar is wel in staat om in samenwerking met een leerkracht een substantiële bijdrage te leveren aan het leerproces. Het vertellen van een verhaal stimuleert het begrijpend luisteren, dat vooraf gaat aan begrijpend lezen. Het onderwijs is met name afgestemd op kinderen die beschikken over voldoende brede en diepe woordkennis. Kinderen die dit niet hebben komen vanaf het begin af aan in de knoei (van den Nulft & Verhallen): - Zij begrijpen de gesproken woorden niet. - Zij blijven achter bij begrijpend luisteren. - Zij kunnen de informatie van gesproken tekst minder snel tot zich nemen. - Zij leren steeds minder nieuwe woorden bij.

Veel van de bovengenoemde problemen zijn terug te voeren op onvoldoende woordkennis. Wanneer men een tekst vertelt is het voor kinderen veel zinvoller om sleutelwoorden uit de teksten al vooraf te verklaren, zodat de kinderen de inhoud in grote lijnen beter gaan begrijpen.

Door te luisteren naar verhalen, waarin ook nieuwe woorden en begrippen voorkomen, wordt een kind uitgedaagd uit te vinden wat een woord betekent in de context van een verhaal. Door op verschillende manieren woorden te verduidelijken, wordt de basis van het woordbegrip verstevigd. Belangrijk om al jong een goede woordenschat te ontwikkelen zie bijvoorbeeld dit artikel

In volgende leermomenten worden woorden herhaald en geconsolideerd. De workshop bestaat uit het delen van ervaringen opgedaan tijdens een aantal projecten als verhalenverteller en specialist jeugd in de bibliotheek.

Verhaal tijdens de Ontmoetingsdag[bewerken]

Als voorbeeld wordt een bewerking van het verhaal ‘Kikker is een held’ van Max Velthuijs, verteld. Een prentenboek voor jonge kinderen, dat door de aard van het verhaal ook met succes gebruikt kan worden voor leerlingen uit midden- en bovenbouw. Naar aanleiding van een gesprek over het verduidelijken van de mogelijk ‘nieuwe woorden’ in het verhaal, zijn de volgende vier zinnen uitgedeeld.

  • De heks nam een zware kan van een plank en goot een stroperig goedje in de pan. De pannenkoeken verspreidden een afgrijselijke lucht. Er hing een dikke stinkende walm rond het fornuis.
  • Het pad was glibberig en er lagen dikke stenen en takken. Het moeilijk begaanbare pad liep dwars door het enorme weiland. Met moeite bereikten ze de andere kant van de omrastering en na een half uur waren ze eindelijk in het dal.
  • Aan de kant van de sloot stond een ooievaar. Een eind verderop, aan de kant van de vaart stond er nog één. Aan weerszijden van zijn snavel spartelden kikkerpootje. De ooievaar gooide zijn kop achterover en de kikker was verdwenen.
  • De jongen liep vastberaden op het immense beest af. Inwendig trillend, stak hij een hand uit. Langzaam draaide de kop van het monster zijn kant uit. Het beest haalde uit. De jongen schrok terug, struikelde even en maakte zich toch maar uit de voeten.

De opdracht was dit ‘verhaaltje’ te vertellen en daarbij de mogelijk ‘nieuwe’ of ‘onbekende’ woorden te verduidelijken d.m.v. taal, mimiek en gebaren, de suggestie van voorwerpen die worden omschreven of andere ludieke invallen. Weglaten van woorden als spartelden, omrastering, afgrijselijke, moeilijk begaanbare e.a. behoorde niet tot de opties.

Toelichting op bruikbaarheid[bewerken]

Woordenschatontwikkeling is niet alleen voor de onderbouw. De ervaring leert dat ook in de bovenbouw groepen leerlingen heel alert zijn op nieuwe woorden en goed in staat zijn uit de context de betekenis te herleiden. Door de manier van vertellen, stemgebruik en mimiek wordt de bedoeling duidelijk. Leerlingen herleidden in dit geval de lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen en intonatie tot een begrijpelijke zin. Een indirect effect is dat kinderen die luisteren naar verhalen nieuwsgierig worden gemaakt naar meer en de verhalen op gaan zoeken en lezend verder werken aan de uitbreiding van hun woordenschat.

Stelling[bewerken]

  • Verhalen vertellen heeft hoofdzakelijk effect op de woordenschatontwikkeling wanneer kinderen zélf verhalen vertellen.
  • Alert zijn op het woordbegrip en het verduidelijken van mogelijke nieuwe woorden, doet afbreuk aan de ‘kunst’ van het vertellen.
  • woordenschatontwikkeling werkt alleen als het gestructureerd wordt aangeboden. Enkele toevallige nieuwe woorden of uitdrukkingen die langs komen in een vertelling voegen niks toe.
  • Het hangt van het soort verhaal en de manier van vertellen af of er daadwerkelijk sprake zal zijn van uitbreiding van de woordenschat.

Tips en trucs[bewerken]

Verklaren/verduidelijken van nieuwe woorden in een vertelling kan o.a. door:

  • uitleggen door gebruik van synoniemen, een verklaring of de rest van het verhaal
  • Een woord wordt altijd in een netwerk gebruikt; je onthoudt het woord door de context waarin het wordt gebruikt. Bedenk ook dat je een leuk verhaal vaker dan een keer kunt vertellen
  • Combineer het vertellen met een prentenboek. Dan zien ze het woord ook. Laat ze zelf vertellen. Ook hier geldt, de kracht zit in de herhaling
  • emoties laten zien en horen door stemgebruik, gebaren, mimiek
  • vragen stellen tussendoor, herhalen
  • geluiden maken en/ of voorwerpen ter verduidelijking laten zien, evt. van te voren, benoemen, er over vertellen bij voorkeur samen met de kinderen
  • uitnodigen mee te doen: stampen, klappen, wijzen, roepen, zingen
  • dramatiseren: sfeer scheppen en uitnodigen mee te bewegen en delen van het verhaal uit te beelden.
  • uitdagen mee te denken over invulling of aanvulling van het verhaal (wat kan nog bv. meer ‘proviand’ zijn enz.)
  • Als je vertelt, kijk je de kinderen aan. De betrokkenheid wordt groter, en je kunt zien hoe zij reageren en daarop inspelen, als een kind afhaakt zie je dat meteen en kun je dat oppakken
  • inhaken op hun voorkennis of gebruik maken van voorbeelden.
  • een poster, een kijkdoos, afbeelding, film op digibord, boek

En bedenk ook dat de kinderen niet alles hoeven te begrijpen. Sylvia Witteman, schreef ooit een column in de Volkskrant over die mysterieuze term “Petit four” die ze als kind tegenkwam in een boek en die zoveel belofte inhield, de verbeeldingskracht prikkelde, juist ook doordat de betekenis niet exact gekend was.