Werken met historische verhalen

Uit Stichting Vertellen MediaWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

In maart 2011 organiseerde de Vertelacademie in Zwolle een workshop door Dale Jarvis. Deze Canadese verteller en antropoloog heeft zich vooral toegelegd op het verzamelen, bestuderen en vertellen van historische verhalen. Op de Verhalenboot te Zwolle deelde hij op inspirerende wijze zijn kennis en ervaringen. Welke lessen zijn daaruit te trekken voor Nederlandse vertellers die met historische verhalen aan de slag willen? Een verwerking in zeven stappen met praktische voorbeelden van Gottfrid van Eck die diverse storytrails, d.w.z. (cultuur)historische verhalenwandelingen, heeft gemaakt.

Op de ontmoetingsdag van de Stchting Vertellen van 3 oktober 2015 heeft Gottfrid van Eck een lezing gehouden over dit artikel.

1. Huiswerk maken[bewerken]

Dale Jarvis (DJ): Je zult allereerst huiswerk moeten maken, wanneer je bepaalde gebeurtenissen en periodes in een historisch verhaal ter sprake wilt brengen. Bezoek musea, lees diverse boeken en praat met mensen die kennis van zaken hebben.

Gottfrid van Eck (GE): Wanneer ik mij in de historie van een bepaalde stad of periode wil gaan verdiepen, struin ik eerst bibliotheken, boekhandels en antiquariaten af en surf ik eindeloos veel op internet. Ik lees me altijd zeer breed in, voordat ik een keuze ga maken voor bepaalde thema’s, hoofdpersonen of gebeurtenissen die me fascineren. Voordeel: je krijgt een breed beeld, waarna je gemakkelijk kunt inzoomen. Lokale historische musea zijn evenzeer een must. Museum Gouda, Museum de Gevangenpoort in Den Haag, Amsterdams Historisch Museum, Teylers Museum in Haarlem, ik bezocht ze allemaal tijdens mijn research naar lokale verhalen. Trouwens, niet alleen om hun collecties goed te bekijken, maar ook om in de bijbehorende museumwinkels rond te snuffelen. Een item in het museum kan je op ideeën brengen. Zo viel mijn oog in Museum Gouda bijvoorbeeld op diverse martelwerktuigen in de kelder. Vooral het Spaanse paard – een levensgroot houten paard met op zijn rug een scherpe ijzeren rand - maakte grote indruk op mij. Ik verdiepte me in martelpraktijken van vroeger dagen en ontdekte dat die in de eerste plaats bedoeld waren om schuld te bekennen in een tijd dat een bekentenis als het belangrijkste juridisch bewijs gold. Zonder bekentenis geen veroordeling. Maar daarnaast dienden martelingen vaak ook als volksvermaak. Zo had het Spaanse paard wieltjes en werd het met de veroordeelde op de rug over hobbelige kei- en zandwegen door de stad getrokken. Hoe meer kuilen in weg, des te meer snijwonden - tot groot plezier van alle omstanders. In een verhaal dat zich in Gouda afspeelt, heb ik dit Spaanse paard als historisch detail ingeweven. Enkele malen benaderde ik een specialist in lokale historie. Maar als die zijn historische informatie té feitelijk - en vooral ontnuchterend - presenteerde, besloot ik om voor de kracht en verbeelding van het ‘legendarische’ verhaal te kiezen en niet voor de ‘ware’ toedracht.

2. Feit én fictie[bewerken]

DJ: Historische verhalen zijn vaak een mix van orale en geschreven traditie, gebaseerd op historische gebeurtenissen. Maar beeldende elementen en fantasie kunnen ook een rol spelen, bijv. (deels) verzonnen personages, karakters of details. Het draait bij historische verhalen niet puur om feitelijkheden en waarheden, maar om bepaalde waarden en betekenissen van een cultuur. Je kunt met de waarheid spelen, zodat historische verhalen ware verhalen worden. De schrijver C.K. Chesterton zei ooit: “Sprookjes zijn meer dan ware verhalen. Niet zozeer omdat draken echt bestaan, maar omdat draken echt verslagen kunnen worden.”

GE: In Haarlem vertel ik bijvoorbeeld over het Spaanse beleg van de stad in 1572 en de rol die Kenau Hasselaar – het spreekwoordelijke manwijf – daarbij gespeeld heeft. Tijdens mijn speurtocht ontdekte ik dat deze Kenau grotendeels legendarische trekken heeft gekregen dankzij pamfletten die destijds in heel Europa werden verspreid. Daarin werden haar daden tegen de Spaanse bezetter flink aangedikt. Kenau zou aan het hoofd van een leger vrouwen hebben gestaan, de stadsmuren te vuur en te zwaard hebben verdedigd en ook zou ze eigenhandig tien Spaanse soldaten en een kapitein hebben onthoofd. Zeer waarschijnlijk is dit alles niet echt gebeurd. Van Kenau is alleen ‘historisch bewezen’ dat ze een zeer harde zakenvrouw was die als weduwe een Haarlemse scheepswerf runde. Maar de legendarische verhalen over Kenau zijn te mooi om niet te vertellen. Zij stond symbool voor heel Haarlem. Militair gezien was dat een makkelijk inneembare stad met slechts een paar duizend soldaten die het op moest nemen tegen een Spaans overmacht met 30.000 manschappen. Het zwakke, maar dappere Haarlem hield het zeven maanden uit en verloor het gevecht uiteindelijk niet door Spaanse slagkracht, maar door honger en ziekte. Op die manier inspireerde Haarlem andere steden zoals Alkmaar en Leiden om zich moedig te verzetten. Met meer succes, zoals bekend. Kortom: Kenau is pars pro toto - deel voor het geheel - voor álle Haarlemmers uit haar tijd. Daarom is het verhaal van Kenau een ‘waar’ verhaal.

3. Volg je fascinaties[bewerken]

DJ: Persoonlijke fascinaties voor bepaalde historische gebeurtenissen, plekken en personages moet je altijd volgen, want zo kun je je publiek meenemen en laten delen in je enthousiasme. Bovendien: vertellers zullen altijd iets van zichzelf willen toevoegen. Zo wordt het historische verhaal hun eigen verhaal.

GE: In Amsterdam vertel ik met veel plezier over het Mirakel van Amsterdam. Dat is het 14e eeuws wonderverhaal van een - door een doodzieke man uitgebraakte - heilige hostie die in de open haard wordt gegooid, maar de vlammen overleeft. De hostie wordt daarna naar de Oude Kerk gebracht, maar reist tot driemaal toe terug naar het huis van de zieke. Dat huis wordt uiteindelijk tot kapel verbouwd: de heilige (haard)stede. De Stille Omgang wordt jaarlijks nog altijd gelopen op de dag van het hostiewonder, nl. 15 maart (1345). Wat mij – van oorsprong Amsterdammer – zo fascineert in dit verhaal is dat de ‘goddeloze’ stad Amsterdam dankzij het Mirakel in de late middeleeuwen een belangrijke bedevaartsplaats is geweest. Een kloosterstad ook. De eerste handelaars komen naar Mokum - lang voordat de VOC zou ontstaan - om te verdienen aan die enorme stroom pelgrims uit heel Europa. Amsterdam was toen niet alleen zeer vroom, maar verdiende ook nog eens aan de vroomheid van anderen. Dat vind ik bijzondere contrasten die horen bij ‘mijn’ Amsterdam. Als ik dit verhaal bij de Oude Kerk vertel, wil ik mensen iets van dat vreemde, mysterieuze mirakel laten voelen. Daarom doe ik tijdens het verhaal een goocheltruc waarbij de hostie in een doosje verschijnt en dan weer verdwijnt. Verbaasde gezichten; hoe doet-ie dat? Tja, dat is natuurlijk het geheim van de smid. Maar zo wordt het mirakelverhaal nog sterker beleefd dan alleen via mijn enthousiaste woorden. Het werkt sfeerverhogend.

4. Provoceren[bewerken]

DJ: De belangrijkste rol van historische verhalen is niet zozeer informeren, maar provoceren. Provocatie betekent in dit geval: nieuwsgierigheid wekken bij je publiek, zodat ze meer willen weten. Je kunt lang niet alles uit een bepaalde tijd en over een bepaalde plek vertellen, dus vertel je één sterk verhaal dat aanspreekt.

GE: In Gouda vertel ik een zelfgeschreven verhaal over een op mysterieuze wijze verdwenen schipper genaamd Pieter Hugesz. Ik kwam op die naam, omdat er in Gouda fundamenten liggen van een Pieter Hugesz toren. Niemand weet waarom die toren zo heet en wie Pieter Hugesz geweest is, zo valt op het ANWB bordje te lezen. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid en toen heb ik hem hoofdpersoon gemaakt in een queeste, een zoektocht door Gouda. Het speelt zich af halverwege de 16e eeuw, een turbulente periode. Ik begin mijn verhaal met de verdwijning van schipper Pieter Hugesz na een heftige aanvaring met schout Floris van Assendelft. We spelen die scène zelfs even uit; een van toeschouwers speelt de schout en ikzelf speel de boze schipper die klaagt over het vele tolgeld dat voor de Goudse sluizen en bruggen betaald moet worden. Pieter wordt steeds bozer vanwege de hooghartige houding van de schout, maar de machthebber trekt aan het langste end en neemt Pieters schip in beslag. Dan stopt de informatie en volgt de vraag: wat is er daarna gebeurd? Verschillende scenario’s zijn mogelijk - het verhaal kan goed of slecht aflopen - en daar betrek ik mijn publiek voortdurend bij. We proberen samen het mysterie van Pieters verdwijning op te lossen. En passant vertel ik over diverse gebeurtenissen in zijn tijd: de uitbuiting van de zakkendragers en de brand die in 1552 de Sint Jan in de as legde. Ik vertel over de sluizen en waterwegen in de stad, de vismarkt en het tuchthuis, maar allemaal aan de hand van wat hoofdpersoon Pieter meemaakt. Zo worden allerlei historische feiten en weetjes met elkaar verbonden en krijgen ze betekenis in een detectiveachtig verhaal. Ik mag dan de ‘alwetende’ verteller zijn die de afloop van het verhaal kent, onderweg speel ik af en toe ook de onwetende toeschouwer die benieuwd is naar de ontknoping. Een historicus die zich eens onder mijn publiek bevond gaf als commentaar op dit Goudse verhaal: ‘Je staat niet stil bij oude gebouwen en hun bouwhistorie, maar bij mensen die er gewoond en gewerkt hebben. Het is een soort sociale geschiedenis geworden.’ Zo wek je historie tot leven; door herkenbare mensen daarin een plaats te geven en hun lotgevallen te volgen.

5. Schakel tussen verhaal en plaats[bewerken]

DJ: Stel jezelf de volgende vragen: wat is je favoriete historische verhaal? Hoort daar een favoriete historische plek bij? Maak een kaart of tekening van die plek. Waar focus je op? Op welk detail zoom je vooral in? Wat vind je zelf het meest interessant aan die plaats?

GE: Ik heb vele favoriete historische verhalen, maar reuze interessant vind ik het verhaal van de gebroeders Johan en Cornelis de Witt. Zij werden in 1672 bij de Gevangenpoort te Den Haag vermoord uit wraak voor hun mislukte buitenlandse politiek. De Gevangenpoort is als museum te bezoeken, o.a. de martelkamer en de cel waarin Cornelis gevangen zat. Op het plein (de Plaats) waar de broers gelyncht zijn, staat sinds begin 20e eeuw een standbeeld voor Johan. Hij wijst met zijn rechterhand subtiel naar beneden, naar de plek waar hij het leven liet – zo wordt althans beweerd. Een bedacht detail, te mooi om niet ‘waar’ te zijn. Wat mij fascineert aan deze plek is niet alleen het fraaie uitzicht op Binnenhof en hofvijver, maar ook wat daar ruim drie eeuwen geleden is gebeurd. We denken bij de Gouden Eeuw vaak aan de Hollandse macht, rijkdom en beschaving, maar die beschaving bleek een dun laagje vernis toen er een enorme crisis kwam: een driedubbele oorlog tegen de Republiek der Nederlanden. De gebroeders de Witt werden zondebokken en het gepeupel rekende op brute wijze met hen af. De regenten werden niet allen gedood, maar ook ontkleed, aan hun voeten opgehangen, ontmand en als varkens opengesneden. Hun lichaamsdelen werden bij opbod verkocht en als trofeeën in Haagse kroegen getoond. Zeer bizar, maar voor een verteller ook zeer boeiend. Zo zie ik in dit verhaal o.a. de menselijke behoefte aan een zondebok; de behoefte om je woede te koelen op zgn. ‘verantwoordelijken’ voor een bepaalde ramp. De Feyenoord supporters die onlangs in Rotterdam enorme rellen veroorzaakten uit protest tegen directie en bestuur van hun voetbalclub lieten zien dat er in drie eeuwen tijd qua beschaving nauwelijks vooruitgang is geboekt. Er vloeide bij Feyenoord geen bloed, maar het scheelde niet veel. Historie en je eigen tijd raken elkaar soms.

6. Zintuigelijk vertellen[bewerken]

DJ: Bij een historisch verhaal heb je altijd verbeelding nodig om de wereld van toen te kunnen (her)scheppen. Behalve met sterke visuele beelden kun je een andere tijd oproepen met hulp van geuren, smaken en sensaties. Hoe meer zintuigen je aanspreekt, des te sterker zal het verhaal uit die andere tijd aankomen. Neem bijvoorbeeld een object mee uit een andere tijd, laat het je publiek zien en voelen. Vertel aan de hand van enkele details hoe mensen daarmee omgingen, hoe ze dachten en leefden.

GE: In Utrecht vertel ik o.a. over de relieken van de Duitse keizer Koenraad II (+ 1039) die eeuwenlang in de Utrechtse Domkerk werden bewaard. Het hart en de ingewanden van die keizer zijn in de loop der tijd vergaan, maar ik heb met enige moeite nog een keizerlijke niersteen en twee van zijn hoektanden kunnen achterhalen. In een gouden reliekschrijntje laat ik die aan mijn publiek zien en voelen. Meestal tot grote hilariteit. Daarna vertel ik – iets serieuzer- wat de functie was van relikwieën en hoe Middeleeuwers toen dachten en geloofden. Relieken (resten van een heilige) dienden als een soort talisman en moesten op magische wijze onheil afweren. Zoals rampen waartegen men zich destijds niet kon verweren: pestepidemieën, stadsbranden, overstromingen e.d.. Daarom zou elke stad een moord plegen voor bijzondere relieken, zoals die van een keizer. Behalve met voorwerpen werk ik ook graag met lokale smaken. In Gouda laat ik mensen een echte Goudse stroopwafel proeven, in Haarlem krijgt men de smaak van Haarlemmer Olie en in Den Haag mag het Haagse hopje niet ontbreken. Achter die smaken zit vaak ook weer een verhaal. Je kunt zintuigen oproepen met prikkelende beelden in je verhaal, maar je kunt de zintuigen ook écht prikkelen. Geheid dat mensen je verhaal dan nog beter onthouden.

7. Beleving[bewerken]

DJ: Je kunt in je verhaal wel allerlei data, historische feiten en weetjes noemen, maar bedenk dat die als eerste worden vergeten. Wat houden mensen het langste vast, wat inspireert hen het meest? Emoties en tastbare zaken. Beleving dus. Daar kun je je dus het beste op richten als verteller; zo smeed je een band tussen je historische verhaal en je publiek.

GE: Ik probeer bijna altijd interactiviteit in mijn verhalen in te weven. Niet alleen door vragen te stellen zoals: wie vochten er tegen elkaar tijdens de tachtigjarige oorlog? Wat was de inzet van die strijd? Maar ook door mensen in mijn publiek een kleine rol te geven. Ze zijn dan heel even een Spaanse commandant of een graaf van Holland, een keizer of een visboer. Dat uitspelen kan al improviserend, met een tekstboekje of een combinatie van die twee. Tijdens het Beleg van Haarlem moeten een paar van mijn toeschouwers een Haarlemmer spelen en de rest van de groep is het Spaanse leger. Lang niet iedereen hoeft mee te acteren, maar zes mensen krijgen een actieve rol – met en zonder tekst. Zo ondervinden ze een klein beetje aan den lijve hoe het was om te belegeren of belegerd te worden. De psychologische tactieken die destijds gebruikt werden – voedsel over de muur smijten om de Spaanse vijand te laten zien dat je geen honger lijdt of het hoofd van een Haarlemse gezant over de muur gooien om angst in te boezemen – blijven het publiek beter bij door interactief spel. Toeschouwers zijn even deelnemers geworden. Ook zonder dat je toeschouwers laat meespelen in je verhaal, kun je hen betrekken bij levendig vertelde historie. Door visuele aspecten – een historische locatie als decor, bepaalde kleding en objecten -, maar eveneens door kleurrijke, historische personages ten tonele te voeren waarmee men zich kan identificeren. En door ervaringen en dilemma’s van die personages als verteller uit te spelen en invoelbaar te maken.,,