Stichting Vertellen

Acteren en vertellen deel 2.2, Walter Roozendaal

Acteren en vertellen deel 2.2, Walter Roozendaal

Het eerste deel over Acteren en vertellen heeft de nodige verteller aan het denken gezet. Lees hier deel 2...

Deel 2: Naar aanleiding van de reacties

Op dit artikel kwamen reacties. Ik citeer uit sommige reacties met veel dank en waardering. Er springen mij een stel waardevolle onderwerpen in het oog, soms ook door meerdere mensen genoemd. Sommige hebben te maken met het zoeken naar verschillen tussen acteren en vertellen, andere met het overeenkomsten.

Definities?

Ik heb de kernbegrippen acteren en vertellen inderdaad nauwelijks gedefinieerd, en zeker niet beperkt. Zowel in de acteer- als vertelwereld lijkt definiëren ook onbegonnen werk, en bestrijden verschillende ‘scholen’ elkaar soms te vuur en te zwaard.

Ik heb daarbij acteren wel op een ruime manier omschreven: ‘Acteren noem ik het vermogen om de indruk te wekken dat je iets anders beleeft, of iemand anders bent, dan wat op dat moment de werkelijke realiteit is. Je roept dus een andere werkelijkheid op, of een andere zijnswijze, je schakelt daar op over.

Acteren doet iedereen altijd een beetje 2

Dat leidt direct tot de vraag, waarom ik dat heb verbonden met dagelijkse sociale situaties. Beschouw ik ons gedrag daar dan als onecht? Nee, ik doe dat om aan te geven, dat acteren in de betekenis van ‘een andere werkelijkheid of zijnswijze oproepen’ een algemeen menselijke basisvaardigheid is, die we in het dagelijks leven keihard nodig hebben. Het is de smeerolie in het samenleven: dat we enerzijds verrassend goed met elkaar mee kunnen voelen en ons zo op elkaar af kunnen stemmen; dat we anderzijds tegelijkertijd weten hoe we – in alle oprechte openheid! – elkaar in die afstemming passende werkbare signalen kunnen geven.

Tegelijkertijd geeft dat vermogen mij ook de basis voor het vertrouwen, dat je als gewoon mens in staat bent om effectief te communiceren. Dus ook boeiend te vertellen. Dat vertrouwen ligt ook aan de basis van de doelen van de Stichting Vertellen: dat we mensen bij elkaar brengen die vanuit heel verschillende ervaringen en scholingen allemaal bezig zijn om op hun manier aan vertellen bij te dragen. En dat het de moeite waard is al die verschillen bij elkaar te brengen, en met elkaar te confronteren én delen.

En even tegelijkertijd: ik onderschrijf het pleidooi van Machteld Hauer in haar hiervoor genoemde boek om niet te makkelijk te roepen dat iedereen dus kan acteren. Professioneel acteren is absoluut een vak. En weer tegelijkertijd: juist dat ‘dagelijkse acteren’ vind ik een prachtig uitgangspunt om als verteller te gebruiken, en om collega’s mee verder te scholen.

Theater maken of acteren?

Ik heb zitten nadenken over een aantal verschillen tussen acteren en vertellen die collega’s vervolgens benoemen. Hoe langer ik daar over nadacht, hoe meer ik het idee kreeg dat het dan eigenlijk niet gaat over acteren, maar over verschillende invalshoeken om theater te maken. Zoals deze vragen:

  • of je een vaste tekst gebruikt of improviseert,
  • hoe het contact met je publiek verloopt, en
  • in hoeverre je als verteller de alwetende verteller bent, of juist de ‘rollen’ uit je verhaal gestalte geeft en vertolkt.

Mijn stelling is, dat je in al die gevallen heel goed kan acteren, maar door die verschillende manieren van theater maken dan wel verschillende effecten krijgt. En dat mensen die denken niet te acteren dat eigenlijk spontaan wel doen op de natuurlijke manier, die ik beschreef in sociale situaties: vanuit hun verbeelding een andere werkelijkheid en zijnswijze oproepen. Ik ga graag wat dieper in op die verschillende vragen.

Vaste tekst of improviseren?

Bijvoorbeeld: in het theater gebruik je een vaste voorgeschreven tekst, bij vertellen heb je de vrijheid om de woorden op het moment van de vertelling te laten ontstaan. Dat is bij veel theatervormen, inclusief zingen, inderdaad het uitgangspunt. Maar hoe zit dat dan bij geïmproviseerd theater? Sluiten improviseren en het gebruiken van acteervaardigheden elkaar dan uit? Wie net als ik geniet van het televisieprogramma ‘De Vloer Op’ weet, dat onze grootste theateracteurs daar improviseren. De mooiste improvisaties zijn die, waarin je eigenlijk niet ervaart dat er onecht geacteerd wordt. Juist hun professionele vermogen om een andere werkelijkheid op te roepen, en een andere zijnswijze aan te nemen, kan dan adembenemend mooi zijn. En tegelijkertijd: wanneer we zien dat een verteller vastloopt in een uit het hoofd geleerde tekst zien we ook, dat de vaardigheden om dat te doen op dat moment tekort schieten. Onechtheid in vertellen betekent dan: tekort schieten in het volledig oproepen van de andere werkelijkheid en zijnswijze, geremd door het vaste stramien van de tekst… Voor het geven van echtheid zijn kennelijk extra vaardigheden nodig, acteervaardigheden òf de vaardigheid om spontaniteit te genereren.

Dat laatste levert overigens een speciale paradox op waar acteurs voor staan: de maximale beheersing van de maximale spontaniteit… Soms lijkt het ook wel of er een verschil is tussen mensen die een speciaal talent hebben om vanuit spontaniteit te communiceren (maar dan soms moeite hebben om de structuur van hun verhaal te bewaken) en mensen die vast lijken te zitten in het trouw vertolken van een verhaal, maar dat net niet helemaal ‘echt’ kunnen maken. Het levert in elk geval twee invalshoeken op van waaruit je beginnende vertellers (en acteurs) vaak ziet vertrekken. Ik kom daar op terug in het hoofdstukje over bewust acteren of gewoon vertellen.

De vierde wand

Vertellen doe je in contact met je publiek, toneelspelen gebeurt achter een vierde wand?

Het klopt dat die stijl van theater maken er is: op het toneel een werkelijkheid oproepen, terwijl het publiek als bij een soort aquarium door een onzichtbare vierde wand naar binnen gluurt, het schijnbaar van buitenaf meemaakt. Om te beginnen: die vierde wand staat al zeker zo’n honderd jaar enorm ter discussie. Brecht bijvoorbeeld deed oprechte pogingen om die te doorbreken. In het verlengde van Brechts Episch Theater is er een bijzonder boek over theater maken van Paul Binnerts: Toneelspelen in de tegenwoordige tijd – een veldboek voor de vertellende toneelspeler, Uitgeverij International Theatre & Film Books.

Ik benoem in mijn regie en lessen vaak Zeggen, Zien en Zijn als invalshoeken voor zingen en vertellen. Zeggen zou je kunnen vertalen als het “in contact vertellen” waar een aantal collega’s terecht grote waarde aan hecht. Ik ga echter graag een stap verder. Want als we vertellen beschrijven we een hele verbeeldingswereld. Die in de ruimte vóór je projecteren, als het ware daar voor je Zien, is een fantastische manier om die werkelijkheid op te roepen. En je vertelling enorm te verrijken. Mij valt altijd op hoeveel collega’s eigenlijk werken vanuit dat geïnspireerde en inspirerende Zien. Maar op het moment dat je dat doet kan je niet tegelijkertijd ook in contact zijn met je publiek! Want je bent in contact met je belevingswereld – dus min of meer achter die beruchte vierde wand?

Mijn gedachte daarover is: op dat moment nodig ik het publiek uit om met mij mee te leven. Dus in plaats dat ik bij hen ben, me misschien zelfs naar hen toe buig om in contact te vertellen, nodig ik hen uit om bij mij te zijn. Hierboven in het hoofdstukje over emoties delen had ik het over meeleven als een menselijk basisvermogen, iets wat we automatisch doen vóór we ons er zelfs tegen kunnen verzetten. Daar maak ik op dat moment gebruik van. Ik neem het publiek mee in die andere werkelijkheid en in die andere zijnswijze. Een collega zei in haar reactie: ‘Ik denk dat een goed acteur zijn/haar publiek ‘door die 4e wand heen trekt’: je bent via je inleving met de spelers in dat bos, die huiskamer, die sciencefiction wereld of wat ook. Bij vertellen gaat dat als het goed is ook zo.

Zijn noem ik het moment, dat je je als verteller zo identificeert met een rol uit je verhaal, dat je die rol als het ware even wordt.

Zeggen, Zien en Zijn vormen dan drie invalshoeken voor vertellen, die je bliksemsnel kan afwisselen. En de goede verstaander heeft ondertussen begrepen, dat ik het in feite over acteren heb! Die invalshoeken kan je dus gebruiken, die zie je collega’s ook voortdurend gebruiken, en je kan dit als vaardigheid ontwikkelen. Ik ben dus niet alleen bezig met ‘in contact vertellen ‘, maar in feite ook voortdurend met acteren. Met of zonder vierde wand.

Bewust acteren of gewoon goed vertellen?

Dan zijn er de reacties van mensen, die zeggen dat ze niet zo bewust acteren, misschien zelfs wel niet acteren, maar zich wel bewust zijn van het prachtige verschijnsel dat ze andere werkelijkheden en zijnswijzen oproepen. En hoe schitterend dat kan zijn.

Genieten van de magische topmomenten van kunstenaarschap – dat zou nog eens een apart (en heel kwetsbaar)onderwerp voor een blog kunnen zijn! Of je dat beschouwt als een goddelijk, spiritueel of gewoon menselijk hoogtepunt – het gaat over dat moment waarop jij, je verhaal en je publiek lijken samen te vallen, vertellen als vanzelf lijkt te vloeien en volledig is.

In deze discussie past de vraag of acteervaardigheden ‘natuurlijk vertellen’ bevorderen of juist dwars zitten.

Een strijd die iedere verteller voert, is die tussen bewust vertellen en spontaniteit. We horen en zien het onmiddellijk, wanneer een vertelling gemaakt, niet spontaan, niet ‘echt’ is. Het vooroordeel is dan: acteren maakt vertellen onecht. Na alles wat ik daar nu over geschreven heb zal duidelijk zijn, dat ik het daar niet mee eens ben. Goed acteren leidt tot een spontaan resultaat, dus een aantrekkelijke, ingeleefde complete vertelling. Dat lijkt een rare tegenstelling. En dat is het ook. Veel acteurs zijn hun hele leven op zoek naar het magische evenwicht tussen het maximaal beheersen van maximaal spontaan zijn. Dat is een soort onmogelijke opgave, maar wel een heel waarde volle. In de strijd met je vertelling zullen er momenten zijn die aanvoelen als onecht en niet kloppend. Thuis raken in je verhaal, kunnen spelen met de elementen, oefenen en vaardigheden opdoen – dat zijn dan antwoorden, op weg naar een nieuwe vertolking.

Hierboven had ik het over Zien: je verbeeldingswereld als het ware in de ruimte vóór je te projecteren, en je te laten inspireren door in die verbeeldingswereld van alles te zien.  Die inspiratie roep ik heel bewust op, dat is dus allerminst spontaan. Maar het mooie is dat het resultaat, mijn emotionele en betrokken reactie, wel spontaan is. En dat ervaart het publiek. “Er waren eens een koning en een koningin” kan een droge informatieve mededeling zijn. Maar als ik ze voor me zie, in hun liefdevolle relatie, kan dat op een spontane manier mijn hele wezen kleuren.

Mijn stelling is dus: goed acteren heeft een spontaan resultaat als doel. Een resultaat, waarin we een andere werkelijkheid en een andere zijnswijze op een voor het publiek kloppende manier oproepen. En dat wil denk ik eigenlijk iedere verteller, geschoold acteur of spontaan talent maakt dan niet uit. Beide uitersten, en alles er tussenin, hebben hun eigen bestaansrecht en hun eigen noodzaak. Vertellen en acteren zijn dan geen tegenstellingen meer – acteren is een vanzelfsprekend element van vertellen. En dat vertellen en dat acteren kunnen dan in allerlei stijlen en op allerlei manieren.

De oordelen over acteren die ik in deze discussie hoorde, lijken dan eigenlijk oordelen te zijn over verschillende manieren van theater maken en hoe daar met andere uitgangspunten gewerkt wordt. Naast oordelen over slecht of onvoldoende acteren, dat horen en zien we direct en helaas genadeloos… Verschillende collega’s hadden het over scholing. Dat doe ik dus mijn leven lang sinds mijn eerste stap op het podium: doorgaan met mezelf verder te scholen en verder te bekwamen. Op weg naar het ideaal, nog steeds. 

Literatuur en andere bronnen

Hierboven noemde ik:

Overigens heb ik op mijn website een aantal lesbrieven en handouts gezet, in de vorm van ‘minigidsen’. De ‘Minigids Vertellen op basis van Elementair Toneel’ (o.a. over Zeggen, Zien en Zijn) en de ‘Minigids Een rol fysiek gestalte geven’ kunnen deze artikelen en discussie aanvullen.

Walter Roozendaal, herziene versie 2025